Wormer had zijn grootste faam te danken aan het bakken van scheepsbeschuit. Om die te kunnen bakken was er meel nodig en voor dat meel moest er tarwe fijngemalen worden in molens. Het begon in de zestiende eeuw met één molen en toen de afzet van bakkerijproducten toenam, kwamen er meer molens die zich toelegden op het fijnmalen van tarwe.
Van alle meelmolens die het dorp rijk was, is er nog maar één overgebleven: De Koker of De Zwarte Hengst, aan het Oosteinde van het dorp. Of de molen de originele Koker of Zwarte Hengst is, is nog maar de vraag, want er is met geen enkele molen zoveel ellende geweest als met deze. Hij liep meerdere keren stormschade op aan zijn rietdek en hij is twee keer in de brand gevlogen (in 1840 en ruim 25 jaar later nog eens). Toch staat hij er nog steeds in volle glorie, zij het niet meer alleen als korenmolen, maar ook als pelmolen. In feite dus als dubbelbedrijf.