De Pioniers
Frans Mars (1903-1973) Op 26 februari 1925 raakte de oliemolen De Zoeker in het Westzijderveld, nu Guisveld genaamd, zwaar beschadigd door een windhoos. De molen kwam er gehavend bij te staan en de vraag was: herstellen of slopen.
De 21-jarige Zaandammer Frans Mars merkte dit op en terwijl niemand iets deed, was het voor Mars aanleiding om een open brief te schrijven in het blad De Zaanlander, waarin hij voor herstel pleitte. Dat was het begin, maar hij deed meer. Hij zocht medestanders en zo kwam hij in contact met Pieter Boorsma. Dit leidde tot de oprichting van een vereniging tot molenbehoud op 17 maart 1925: Vereniging De Zaansche Molen.
Frans Mars was ook de drijvende kracht achter de molententoonstelling die in datzelfde jaar in Koog aan de Zaan werd gehouden. Op 12 april 1927 was hij aanwezig bij het leggen van de eerste steen voor het Molenmuseum, dat ruim dertien maanden later officieel geopend werd door Prins Hendrik.
Door de jaren heen is Mars betrokken geweest bij het wel en wee van 'zijn' vereniging: zowel als voorzitter, secretaris als ten slotte als ere-voorzitter. Velen hebben mogen profiteren van zijn grote geografische, historische en landschapskundige kennis.
Pieter Boorsma (1871-1951) Pieter Boorsma was ooit als molenmaker betrokken bij de bouw en inrichting van verschillende stoomhoutzagerijen en een aantal gortpellerijen. De kennis die hij daarbij opdeed, verwerkte hij in een aantal kostelijke boeken, zoals: - Oud Zaansch Molenleven I (1927/1932), - Oud Zaansch Molenleven II (1948), - Over Zaansche Windmolens (1939), - De Molens van de Familie Honig (1939), - De Molens te Assendelft (1942) - en zijn standaardwerk uit 1950: Duizend Zaanse Molens.
Ook in het tijdschrift De Zaende zijn tussen 1946 en 1951 van zijn hand vele sfeervolle verhalen verschenen. Verder heeft het blad, later dagblad, De Zaanlander vele jaren werk van hem gepubliceerd.
Midden twintiger jaren werd hij benaderd door Frans Mars. Boorsma had in de enige Zaanse krant in die jaren gepoogd een einde te maken aan het sprookje dat 'wind niets kost' en dat men veel beter en goedkoper met windmolens kon blijven werken dan met dure fabrieken met hun kolenvretende stoommachines. Omdat de schrijver van het artikel blijk gaf van grote deskundigheid meende Mars dat Boorsma de man was die hij zocht voor zijn molenvereniging. Na een prettig verlopen gesprek stemde Boorsma toe. Dit was tevens het begin van een hechte vriendschap tussen beide mannen en daar is 'De Zaansche Molen' jarenlang wel bij gevaren. Boorsma bleek een ideale secretaris, een perfecte conservator voor het museum en zeer deskundig op molengebied.
|