
Wel en wee
Ziek en gezond in de Zaanse molenwereld
Vanaf de 17e eeuw groeide de Zaanstreek uit tot een van de belangrijkste industriegebieden van Europa. Honderden windmolens zaagden hout, pelden gerst, schepten papier en persten olie. De molens brachten welvaart, maar het werk was zwaar, gevaarlijk en vaak ongezond. Stof, lawaai, zware lichamelijke arbeid en draaiende machines eisten hun tol, terwijl ongelukken en besmettelijke ziekten voortdurend op de loer lagen.
De tentoonstelling Wel en wee laat zien hoe ziekte en gezondheid het leven van molenaars, knechten en hun gezinnen bepaalden. In woord en beeld vertelt de expositie over beroepsziekten, ongelukken, epidemieën en de beperkte medische zorg in de Zaanse molenwereld. Barbiers, chirurgijns, ledezetters, doctores en apothekers probeerden zieken te helpen, maar een ziekenhuis kende de Zaanstreek lange tijd niet. Pas minder dan een eeuw geleden werd het eerste ziekenhuis in de streek geopend.
Een persoonlijk verhaal maakt de gevolgen van ziekte tastbaar. Molenknecht Maarten Bas (1849–1914) kreeg in 1866 cholera. Hij overleefde de ziekte, terwijl ruim 21.000 Nederlanders eraan overleden. Door de blijvende gevolgen kon hij niet meer werken in de papiermolen. Maarten belandde in het armenhuis van Koog aan de Zaan. Daar verdiende hij een bescheiden inkomen door met een klein biksteenmolentje afgedankte molenstenen tot fijn gruis te vermalen. Het schuurpoeder ventte hij langs de deuren uit; een zakje kostte één cent.
De tentoonstelling laat zien hoe kwetsbaar het bestaan in de Zaanse molenwereld was, maar ook hoe mensen ondanks ziekte, tegenslag en armoede steeds weer probeerden hun leven opnieuw vorm te geven.
